Het MPC-formaat voor positiewaarnemingen van kleine planeten

 

1.     Voorwoord

2.     Voorbeeld van een positiewaarneming

3.     De benaming van een object

4.     Ontdekkingswaarneming

5.     Opmerkingen t.a.v. de opname

6.     Opmerkingen t.a.v. de waarnemingstijdstippen

7.     Opmerkingen t.a.v. positiecoördinaten

8.     Opgave van de helderheid

9.     Het gebruik maken van het standaard referentiesysteem

10.  Stationscode van de IAU

11.  Wat opgeven bij een waarneming?

12.  Insturen van een waarneming

13.  Literatuur

 

 

1.  Voorwoord

Voor de positiewaarnemingen van kleine planeten is het Minor Planet Center in de USA de beheerder. Hieronder wordt beschreven hoe positiewaarnemingen aan het MPC gestuurd moeten worden. Dit wordt het MPC-formaat genoemd.

 

2.  Het MPC-formaat aan de hand van een voorbeeld

Hier beschrijven we de rapportage van de bepaling van een positie van een kleine planeet. Dit is overigens dezelfde code die gehanteerd wordt bij de rapportage van waarnemingen van kometen.

In dit geval betreft het een waarneming van de kleine planeet  (6488) Drebach aan de volkssterrenwacht in Drebach.

Het MPC-formaat is een code van 80 tekens, inlcusief lege posities.

Hier de verklaring aan de hand van een voorbeeld.

 

Objekt:                         06488 (Drebach)
Instrument:                     180/1600 mm Ref.+ CCD-Kamera(ST-6)
Datum van de waarneming:        05.04.1994
Tijdstip van de waarneming:     19h54m41s UT (0.82964d)(Dagdeel)
Rechte klimming van het Objekt: 15h17m21.097s
Deklinatie van het Objekt:      -02°08'29.12"
Helderheid:                     17.5m
Waarneemstation (Code):         Volkssternwarte Drebach (113)

 

kolom   10        20        30        40        50        60        70        80
12345678901234567890123456789012345678901234567890123456789012345678901234567890
06488         C1994 04 05.82964 15 17 21.10 -02 08 29.1          17.5 R      113
 

Betekenis van de tekens

01 - 12     Benaming van de kleine planeet (of komeet)

13 - 13     Een "*" wordt ingevuld bij een ontdekking.

14 - 14     Type van de waarneming (zie tabel paragraaf 5) of getal

            Voor verschilende waarneemprogramma’s op één waarneemplek.

15 - 15     Type van de waarneming: Leeg - Fotografie, C - CCD, E –

            Encoder, M - Micrometer, T - Meridaan oder transitcirkel.

            Bij omzetting van B1950.0 auf J2000.0 moet hier een "A"

            staan.

16 - 19     Jaar van de waarneming (UTC)

20 - 20     Leeg

21 - 22     Maand van de waarneming (UTC)

23 - 23     Leeg

24 - 32     Dag van de waarneming (UTC)(zie tekst)

33 - 34     Uur van de rechte kliming (J2000.0)

35 - 35     Leeg

36 - 37     Minuut van de rechte kliming (J2000.0)

38 - 38     Leeg

39 - 44     Seconde van de rechte kliming (J2000.0) (zie tekst)

45 - 45     Teken van de declinatie (J2000.0)

46 - 47     Graden van de declinatie (J2000.0)

48 - 48     Leeg

49 - 50     Bogenminuten van de declinatie (J2000.0)

51 - 51     Leeg

52 - 56     Boogseconden van de declinatie (J2000.0) (zie tekst)

57 - 65     Leeg

66 - 70     Helderheid, bij onnauwkeurige "I2" van positie 66-67 (zie

            tekst)

71 - 71     Type helderheid: T – totale helderheid (kometen), N - Kern-

            helderheid (kometen), V - visuele helderheid, B –

            fotografische helderheid, R - berekende helderheid (zie

            tekst)

72 - 77     Leeg

78 - 80     Stationscode der IAU

 

 

3. De benaming van een object

Genummerde kleine planeten worden door een vijfcijferig nummer gekenmerkt dat in de posities 1-5 worden ingevuld, zie onderstaand voorbeeld. De naam van de kleine planeet wordt niet opgegeven.

 

1...5

|   |

00001 = (1)Ceres

01674 = (1674)Groeneveld

09697 = (9697)Louwman

10429 = (10429)van Woerden

 

Bij niet genummerde kleine planeten wordt haar voorlopige benaming in de posities 6-12 aangegeven (zie voorbeeld). In positie 6 staat dan het eeuw-symbool: I=18, J=19, K=20, L=21, enz. In positie 7 en 8 worde de rest van het jaartal aangegeven. De resterende voorlopige benaming van het object (letters en cijfers) wordt in de posities 9-12 ingevuld.

 

6.....12 (positie)
|     |
J95X00A = 1995 XA (heel belangrijk is de nul in de positie 10 en 11)
J90H04V = 1990 HV4 (heel belangrijk is de nul in de positie 10)
J81E49T = 1981 ET49
K99AJ3Z = 2099 AZ193 (vijfde positie: J = 19)
J24Y00E = A924 YE (voor 1925 wordt "A" in plaats van "1" ingevuld)
I73O00A = A873 OA 

 

Vier speciale astrometrie waarneemprogramma’s (zogenaamde Surveys) werden in de jaren 1960-1977 uitgevoerd. Hierbij gaat het om de volgende programma’s”

 

P-L  Palomar-Leiden (1960)
T-1  Eerste Astrometrieprogramma Trojanen (1971)
T-2  Tweede Astrometrieprogramma Trojanen (1973)
T-3  Derde Astrometrieprogramma Trojanen (1977)

 

Bij niet genummerde kleine planeten van deze astrometrieprogramma’s wordt het zogenoemde Surveynummer in de posities 6-8 (pls, T1S, T2S, T3S) aangegeven. De S in positie 8 staat voor Survey. De rest van het nummer wordt in de posities 9-12 ingevuld (zie de voorbeelden).

 

6.....12 (positie)
|     |
PLS2040 = 2040 P-L
T1S3138 = 3138 T-1
T2S1010 = 1010 T-2
T3S4104 = 4104 T-3

 

De benaming van kometen werden volgens MPC 23803-23804 als volgt afgesproken: Er wordt onderscheid gemaakt bij de aanduiding van periodische kometen en kometen met een voorlopige benaming. Voor de aanduiding  wordt net zoals bij de kleine planeten de posities 1-12 gebruikt. De positities 1-4 zijn voor periodische kometen bedoeld. De positie 5 wordt gebruikt voor een afkorting dat de omlooptijd van een komeet kenmerkt:

 

C – komeet met een lange omlooptijd, 
P – komeet met een korte omlooptijd,
X – komeet waar nog niet bekend is of deze een korte of lange 
    omlooptijd heeft, 
A – dit zijn kleine planeten die abuisievelijk oorspronkelijk als komeet werden geïdentificeerd.
 
1..4(positie)
|  |
0001 =   1P - periodischer Komet P/Halley
0003 =   3P - periodischer Komet P/Biela
0116 = 116P - periodischer Komet P/Wild 4

 

De posities 6-12 geven de voorlopige benaming van een komeet aan. In positie 6 staat dan het eeuw-symbool: I=18, J=19, K=20, L=21, enz. In positie 7 en 8 worde de rest van het jaartal aangegeven. De resterende voorlopige benaming van het object (letters en cijfers) wordt in de posities 9-12 ingevuld. In positie 12 staat in het algemeen een nul. Uitzonderingen zijn uiteengevallen komenten. In dat geval wordt op die plaats de benaming van zo’n deel als verkorte schrijfwijze weergegeven.

 

6.....12 (positie)
|     |
J95A010 = 1995 A1   (heel belangrijk is de nul in positie 10 en 12)
J94P01b = 1994 P1-B (benaming van deel B von komeet 1994 P1)
J94P010 = 1994 P1   (benaming van de uiteengevallen komeet 1994 P1)

 

4. Ontdekkingswaarneming

Bij een nieuwe ontdekking dient de waarnemer een eigen voorlopige benaming te kiezen. Die moet beginnen bij positie 6 en mag niet meer dan 6 posities hebben (positie 12 moet leeg zijn). Voor de beschrijving zijn uitsluitend karakters met de ASCII-Code 47-90 toegestaan (cijfers, letter en symbolen).

Voor de voorlopige benaming van de kleine planeet dient een serie van 4 letters gevolgd door 2 cijfers. Als er meer dan één waarnemer in de ontdekking betrokken is, dan is het noodzakelijk deze te specificeren. Dit kan door gebruik te maken van letters. Die kunnen later ook wer gebruikt worde. Het is beter dit pas te doen als de objecten door het Minor Planet Center officieel genummerd zijn.

 

 

Voorbeeld:

6.....12 (positie)
|     |
LeKa001 = voorbeeld van een voorlopige nummering door de ontdekker 
          zelf.

 

Als men zeker is dat het er een nieuw object gevonden is dient positie 13 door een asterix (*) gekenmerkt worden. De melding van een ontdekking dient snel gedaan te worden. Waarnemingen met een ontdekking als zodanig worden door het MPC toegekend als waarnemingen van twee nachten worden doorgegeven.

De volgende antwoorden kunnen van het MPC komen:

 

LeKa001 (03244  = hierbij gaat het om de genummerde kleine planeet 
                  3244.
LeKa001 (J99A18T = hierbij gaat het om een nieuwe ontdekking. Van het 
                   MPC kreeg het de voorlopige nummering 1999 AT18.
LeKa001 (J99A18T = hierbij gaat het om de ongenummerde kleine planeet 
                   1999 AT18.
 

5. Opmerkingen t.a.v. de opname

Op positie 14 kan een opmerking uit onderstaande tabel of een getal van verschillende waarneemprogramma’s op een waarneemplek worden ingevuld.

 

Opmerking   Verklaring                               
    A       Vervangt vorige onnauwkeurige positie
    B       Donkere opname
    C       Korrektie m.b.t. een vorige positie
    D       Onzekere declinatie
    E       in of in de buurt van de hoek van een opname
    F       Zwakke afbeelding van het object
    G       Volgfout aanwezig
    I       Objekt valt samen met een ster
    J       J2000.0 Omrekening van eerder gestuurde positie
    M       Meting was moeilijk
    N       Meting in de hoek van de opname, meting onzeker
    O       Geen goede scherpe opname
    P       Positie onzeker
    R       Rechte klimming onzeker
    S       Slechte transparantie van de lucht
    T       Tijd onzeker
    U       Geen goede afbeelding van het object
    V       Hele zwakke afbeelding van het object
    W       Kontrastarme afbeelding van het object
    a       Onzeker vermoeden van een beweging van het object
    b       Slechte seeing
    c       Veel sterren in het veld van de opname
    d       Diffuse afbeelding van het object
    f       Object met een fout in de plaat (sensor)
    g       Niet gevolgd
    i       Inktvlek gemeten
    o       Plaat slechts in één richting gemeten
    p       Slechte afbeelding van het object
    r       Slechte verdeling van de referentiesterren
    s       Streepvormig object
    t       Staartvormig object
    u       Onbevestigd object
    w       Slechte oplossing van de uitwerking van de meting

 

Andere opmerkingen kunnen gedaan worden door middel van een apart tekstblok. Daarin dienen ook de opgave van de geografische coördinaten, de hoogte van de waarneemplek (bij de eerste melding van een positie), de waarnemer, de gebruikte referentiecatalogus opgegeven worden.

Zie ook paragraaf 11 van deze pagina.

 

 

6. Opmerkingen t.a.v. de waarnemingstijdstippen

Er dient ernaar gestreefd te worden dat alle waarnemingen met een nauwkeurigheid van 0,00001 dag (0,86 sec) aangeboden worden. Met de DCF-klokken of GPS klokken hoeft dat tegenwoordig geen probleem meer te zijn. Ben er bij DCF-klokken er echter zeker van dat ze gesynchroniseerd is. Daarom is het verstandig om ruim van te voren de klok te resetten. Deze zoekt dan ontvangst met de zender en zet de klok gelijk. Omdat de DCF-zender er zo nu en dan uitligt (bijvoorbeeld ten gevolge van onweer aldaar) verdient een GPS-klok de voorkeur. De aanduiding van de tijd van een opname is het gemiddelde van het begin en het einde van de opname. Let wel dat de tijdstippe worden gegeven in UTC.

 

Spalte

16              32           45         56      66   71    7880

|...............|............|..........|.......|....|.....|.|

1991 03 03.4532  02 02 35.9  +15 44 25           9   T     897

1960 10 26.31531 23 50 05.80 -03 24 40.3        18.2       675

1992 01 01.00347106 45 08.871-16 42 57.99       -1.46V     500

 

7. Opmerkingen t.a.v. positiecoördinaten

Er dient ernaar gestreefd te worden dat de bepaalde posities met een nauwkeurigheid van 0,01s in rechte klimming en 0,1” in declinatie aangeboden worden. In de hierboven getoonde voorbeelden laat de minimale nauwkeurigheid zien (waarneming onder slechte omstandigheden). Een opgave van de coördinaten van de positie zoals in het derde voorbeeld mag alleen dan gedaan worden als de laatste decimaal werkelijk belangrijk is.

 

8. Opgave van de helderheid

Het MPC verwacht dat de  helderheid wordt opgegeven met een nauwkeurigheid van 0,1 magnitude. Is het niet mogelijk deze nauwkeurigheid te bereiken, dan wordt alleen maar “I2” in de posities 66-67 ingevuld. Voor kleine planeten is de instelling van de opgave van de helderheid het B-systeem (fotografische helderheid) . Dit is in het tweede voorbeeld te zien.  Voor het eerste voorbeeld het de “T” in kolom 71 betrekking op de totale helderhied van een komeet. Het alternatief hiervoor is de helderheid van de kern “N” (nuclius). Het derde voorbeeld laat een helderheid in “V” (visueel) systeem zien. Een andere mogelijkheid zou “R” geweest zijn. Bei nieuwe ontdekkingen is een grove inschatting van de helderheid voldoende.

 

9. Het gebruik maken van het standaard referentiesysteem

Het Minor Planet Center wijst erop dat het standaard referentie systeem FK5/J2000 gebruikt moet worden. Men kan daarbij gebruik maken van de PPM, de GSC, de USNO-SA of andere stercatalogi gebruiken, voor zover ze betrekking hebben op J2000.0.

 

10. Stationscode van de IAU

Is nog geen stationscode voorhanden, kan krijgt men die automatisch van het MPC als de nauwkeurigheid van de meting binnen 1” ligt. De geografische coördinaten van het waarneemstation dienen binnen ± 1” bekend te zijn en te worden doorgegeven.  Als er een nieuwe stationscode nodig is, bijv. ten gevolge van een verhuizing, dan wende men zich aan het MPC.

 

11. Wat opgeven bij een waarneming?

In de briefkop dienen de algemene gegevens vermeld te worden, de waarnemer en het gebruikte instrument. Omdat de waarnemingen automatisch uitgewerkt worden dient men zich aan een bepaald formaat te houden. Dit is in ondertaand voorbeeld weergegeven.

                                 = achter =-teken een voorbeeld

COD stationcode                  = B99

CON naam, adres, etc. waarnemer  = h rutten boerenweg 32 arcen nl

CON emailadres                   = [h.g.j.rutten@home.nl]

OBS naam waarnemer               = hgj rutten

MEA naam uitwerker waarnemer     = hgj rutten

TEL opgave instrumentarium       = 0.4-m F/5 reflector + CCD

NET gebruikte stercatalogus      = GSC

ACK opgave sleutelwoord          = batch 2010 12/01

 

Aan de hand van opgave achter de ACK-sleutel wordt automatisch een ontvangstbericht gestuurd van de gemelde waarneming. Alle regels mogen niet langer dan 80 posities zijn. Bij de opgave van de naam worden van de voorna(a)m(en) de initia(a)l(en) en de achternaam voluit geschreven. Daartussen staat een lege positie. Als er meerdere namen zijn worden deze gescheiden met een komma. Het e-mailadres an de contactpersoon wordt tussen rechte haken gezet. Er dient slechts één contactpersoon te worden vermeld.

 

Bovenstaande voorbeeld ziet er dan als volgt uit

COD B99

CON h rutten boerenweg 32 arcen nl

CON [h.g.j.rutten@home.nl]

OBS hgj rutten

MEA hgj rutten

TEL 0.4-m F/5 reflector + CCD

NET GSC

ACK batch 2010 12/01

 

12. Insturen van een waarneming

De waarnemingen kunnen uitsluitend per e-mail aan het MPC gestuurd worden. Het adres is

mpc@cfa.havard.edu

 

13. Literatuur

[1] Marsden, B.G.: (1991): Editorial Notice in MPC, 18847-18850.
[2] Jahn, J.: (1992): MPC-Format astrometrischer Positionen in KPM, 29-32.
[3] Sitepageina’s van het MPC http://cfa-www.harvard.edu/cfa/ps/mpc.html

 

Vrije vertaling van “Das MPC-Format für Positionsbeobachtungen von Kleinplaneten und Kometen” door Jens Kandler