Indeling

 

Indeling van kleine planeten

 

1.     Inleiding

2.     Algemeen

3.     Indeling volgens de ligging in ons zonnestelsel

3.1.   Aten

3.2.   Apollo

3.3.   Amor

3.4.   Trojanen

3.5.   Kleine-Planeten-families in de hoofdgordel

3.6.   Andere groepen van Kleine Planeten

3.7.   Dwergplaneten

3.8.   PHA

4.     Indeling volgens de chemische samenstelling

5.     Literatuur

 

 

1. Inleiding

In dit hoofdstuk geeft een korte en algemene samenvatting van de indeling van Kleine Planeten in verschillende families en groepen. Deze informatie is vooral afkomstig van de internetpagina’s van het Minor Planet Center, MPC in de USA.

 

2. Algemeen

Kleine Planeten kunnen onderverdeeld worden op basis van twee aspecten. Dit kan zijn op basis van de plaats van de baan in ons zonnestelsel. Dan is de belanrijkste parameter de lange en de korte as van de baan. De andere basis is die van de chemische samenstelling van het oppervlak van het object.

 

3. Indeling volgens de ligging in ons zonnestels

De eerste indeling van Kleine Planeten naar hun ligging van de baan in ons zonnestels werd al gedaan door Kirkwood in 1881. In 1918 werden de eerste families door Hirayama vastgesteld. Een andere indeling van de hoofdgordel werd door Kozai in 1979 gedaan. Hij deelde ze in maar liefst 72 (!) families. Niet allemaal van deze families zijn bevestigd.

De grootste concentrale wordt de hoofdgordel genoemd. Deze objecten staan op een afstand tussen de 2,0 en 4, 0 AE (Astronomische Eenheid) vanaf de zon. Deze zijn weer onderverdeeld in verschillende families. De naam van deze familie is afgeleid van de naam van het typische object. Bijvoorbeeld de Erosgroep op een afstand van 3.0 AE. Buiten de hoofdgordel is er een opvallende groep op een afstand van 5,2 AE. Dat is ook de baan van Jupiter. Deze objecten zijn de Trojanen die op een bepaalde afstand voor en achter Jupiter hun baan om de zon trekken. Ze blijven dus altijd in de buurt van Jupiter. Op enkele bijzondere groepen wordt hieronder ingegaan.

Erg opvallend zijn de ‘gaten’ in de hoofdgordel. Op een afstand van 2.5, 2.83 en 3.3 AE zijn geen kleine planeten te vinden. Deze zijn ondekt door Kirkwood en dragen daarom ook zijn naam. Deze gaten zitten niet op onregelmatige afstanden maar zijn resonanties met de omlooptijd van Jupiter. Om er een paar te noemen: 1/5, 1/4, 1/3, 2/5, 3/7, 4/2, 2/3, 3/4 en 1/1. Bijvoorbeeld bij 1/3-resonantie betekent dit dat 3 omlopen van de kleine planeet om de zon net zo lang duurt als 1 omloop van Jupiter. Dat betekent dus dat zo’n kleine planeet elke drie omlopen Jupiter “tegen komt”. Dit geeft dermate verstoringen dat deze in een andere baan om de zon terecht komt.

 

3.1 Aten

Bij de kleine planeten van de Aten-familie is een groep kleine planeten die het dichst bij de aarde kan komen. De groep is genoemd naar de eerste van deze soort (2062) Aten. De gemiddelde afstand tot de zon is 0,6 tot 1 AE, de grootste is groter dan 0,983 AE. De gemiddelde diameter is 3,2 km. Het zijn silicaatrijke objecten met een gemiddeld albedo (reflectievermogen) van 0,2.

Enkele voorbeelden: (2062) Aten, (2340) Hathor, (2100) Ra-Shalom , (3753) 1986 TO, (3362) Khufu. Een bijzondere van deze groep is (3753) Cruithne die altijd in de buurt van de aarde blijft.

 

3.2 Apollo

Genoemd naar (1862) Apollo. Bij de Apollo-familie is de gemiddelde afstand tot de zon 1.0 tot 2.0 AE en is de kortste afstand tot de zon altijd minder dan 1,017AE. De gemiddelde diameter is 5,3 km.

Enkele voorbeelden (1685) Toro, (1620) Geographos, (1566) Icarus.

 

3.3 Amor

Genoemd naar (1221) Amor. De gemiddelde afstand van een kleine planeet van de Amor-familie tot de zon is 1,2 tot 3,5 AE. De kortste afstand tot de zon is 1,017 tot 1,3 AE en de gemiddelde diameter is 8,4 km.

 

3.4 Trojanen

Bij de kleine planeten van de Trojanen-familie is de gemiddelde afstand tot de zon 5,1 tot 5,3 AE. De gemiddelde diameter is 86,3 km. De Trojanen bewegen zich in de baan van Jupiter en is dus een 1/1 resonantie. Ze bevinden zich, gemiddeld genomen in de Lagrangepunten L4 en L5. Deze bevinden zich ca. 60° voor en 60° achter Jupiter. Dat zijn evenwichtspunten van de combinatie Zon-Jupiter waardoor deze objecten steeds zich in de buurt van dat punt blijven bewegen. Omdat zich zowel in L4 als L5  een groep bevind hebben deze ook aparte namen: De Achilles-groep in L4 en de Patroch-groep in L5.

Enkele voorbeelden zijn (588) Achilles, (617) Patroclus, (624) Hektor, (659) Nestor, (884) Priamus

 

3.5 Kleine planeten-families in de hoofdgordel

In de hoofdgordel, die ca. 95% van alle kleine planeten bevat, zijn in verschillende families verdeeld. Het voert te ver deze hier allemaal uit te leggen, maar zo zijn er de Hungaria-, de Flora-, de Phocaea-, de Nysa-, de Maria-, de Proserpina-, de Pallas-, de Koronis-, de Budrosa-, de Eos-, de Themis-, de Cybele- en de Hilda-familie.

Zo is bijvoorbeeld bij de Hilda-familie de gemiddede afstand tot de zon tussen de 3,9 en de 4,0 AE. De gemiddelde diameter wordt geschat op 64,1 km.

Enkel voorbeelden zijn (153) Hilda, (1578) Kirkwood, (1748) Mauderli, (1754) Cunningham, (1877) Marsden

 

3.6 Andere groepen Kleine Planeten

In de literatuur wordent ook vaak de Centaur-familie genoemd. Hierbij gaat het om objecten die zich tussen de baan van Jupiter en Neptunus bevinden. De bekendste hiervan was de (2060) Chiron die eens de wellicht 10e planeet van ons zonnestelsel zou worden.  Later werd het ook geïnterpreteerd als een mogelijke komeet en nog steeds is niet duidelijk wat het echt is.

Andere groepen zijn natuurlijk de TNOs en de Plutinos

 

3.7 Dwergplaneten

Sinds de IAU (International Astronomical Union) op 26 augustus 2006 besloten heeft ons zonnestelsel opnieuw in te delen in planeten, dwergplaneten en kleine planeten is een aantal grote kleine planeten en TNOs verheven tot dwergplaneet met als meest prominent lid Pluto.

 

3.8 Potential Hazardous Astroids

Deze objecten zijn, zoals de naam al zegt, potentieel gevaarlijke objecten. Enkele van deze PHAs kunnen de aarde op minder dan 20.000 km passeren. Het zijn, na meteoren, de snelst bewegende natuurlijke objecten aan de hemel. Ze zijn over het algemeen klein en lichtzwak.

 

4 Indeling volgens de chemische samenstelling

De indeling van kleine planeten volgens de ligging van de baan in ons zonnestels is gebaseerd op de baanelementen van het object. Wordt echter fotometrisch, polarimetrisch en spectroscopische waarnemingen gedaan dan blijkt uit onderzoek dat er ook verschillen bestaan in de chemische samenstelling van het oppervlak van een kleine planeet. Er is een indeling gemaakt die gebaseerd is op 9 groepen. Deze groepen hebben de volgende eigenschappen:

 

Type

Geometrisch

Albedo

Reflectie-

spectrum

Samenstelling

Type

Meteoriet

C

< 0,065

Neutraal, zwakke structuren

Silicaten + donkere componenten

Koolachtige Chondriten

S

0,09-0,23

Roodachtig, Fe2+-absorbtie

Silicaten + metaal

Steen-ijzer-meteorieten

M

0,065-0,23

Zwak roodachtig, geen structuren

Metaal of Metaal + neutrale silicaten

Ijzermeteorieten, Enstatit-chondriten

E

> 0,23

Neutraal of zwak roodachtig, geen structuren

 

Neutrale silicaten

 

Enstatit-achondriten

R

> 0,16

Rood, hoge Fe2+-absorbtie

Fe2+- houdende silicaten

 

Chondriten

U

Divers

Divers

Divers

Onbekend en zeer verschillend

F

< 0,065

Neutraal, geen structuur

Silicaten + donkere componenten

 

-

P

< 0,065

Zwak roodachtig, geen structuur

Silicaten + donkere componenten

 

-

D

< 0,065

Rood

Silicaten + donkere componenten

 

-

 

 

Vrije vertaling van “Einteilung der Kleinplaneten” door Jens Kandler